Moraal

Ik moet het wiel houden. Ik.moet.het.wiel.houden. Het wiel. Voor me. Ik geef, maar heb niet veel te geven. De wind komt hard van links. En ik zit helemaal op rechts. Ik heb maar weinig, echt heel weinig, maar wat er is, dat knapt. Ik ben er klaar mee, stuur naar buiten en kijk naar voren.

De wind, waar ik zo van houd, breekt mijn wedstrijd, verplettert mijn moraal. Ik heb geen waaier gereden. Niemand uit een wiel gebokst. Soms is alles gewoon kut. En vandaag is soms.

Er loopt een traan over mijn wang. Omdat ik net een nieuwe, kekke bril heb, rolt die traan daar niet door de wind die in mijn ogen waait. In mijn oor hoor ik iemand hartgrondig vloeken. Die moet het gat dicht rijden dat ik laat vallen. Het doet me niet zo veel. Vandaag heb ik verdomd weinig zin.

Bij een kruispunt staan twee vrijwilligers, dat ik langzaam nader. De gele hesjes staan grappend te wijzen. Genoeg materiaal om voor een domme opmerking van mijn kant, maar ook dat zit er niet in. Ik steek een duim op, maar kijk de andere kant uit. Alsof ik van die kant verkeer verwacht. Dat zou een wonder zijn, want daar liggen alleen maar weilanden.

Voor me zie ik de schifting. De kopgroep rijdt weg bij een soort versnipperd peloton. Het gebeurt op een paar honderd meter, dan op een halve kilometer, dan op een kilometer. Het gebeurt voor me. Alles gaat daar nog een keer op de kant. Er zijn achterblijvers die me inhalen. Ik krijg even de wind mee en tik de 30 km/u aan. Het peloton reed hier zeker tegen de 60. Maakt het mij wat uit? Nee, ik geloof het niet.

Ik stond vanochtend op met hoofdpijn. En ging gister zonder goesting naar bed. Normaal stuiter ik door huis voor een koers. Zonet zocht ik stilletjes mijn spullen bij elkaar. De rit naar de koers verliep met een snik en een grimlach. Het was koud toen ik in de wind naar de start liep. Maar zelfs de koude had geen vat op me. Ik had geen zin om een gelletje te eten, ik nam geen extra cafeïne van Spaak. Voor de vorm zoog ik even aan mijn bidon. Zelfs daar werd ik niet blij van.

Natuurlijk mocht ik achteraan starten.

Ik draai af. Lever mijn rugnummer in en ga stilletjes naar huis. Daarvoor moet ik tegen die keiharde wind in. En dan, op een smal weggetje, onder een maartse bui, vind ik eventjes wat gevoel. Vechtend tegen de wind, zet ik mijn bril af. Er rollen nog meer tranen over mijn wangen. En er is niemand in de buurt, dus er is niemand om me voor te schamen als ik keihard schreeuw:

“GODVERDOMME!”