Archieven maart 2020

Middelstum

ICW Middelstum, een droomkoers

Ik schuif de gordijnen op en kan een lichte glimlach niet onderdrukken. Een strakblauwe lucht, vogeltjes fluiten en bomen dansen in de wind. Vandaag is het dan zover, de dag die elke duurrit in de regen de afgelopen periode zinvol maakt. Die al het Zwift-zweet weet te rechtvaardigen. Vandaag ga ik koersen in Middelstum. Sterker nog, ik ga gewoon winnen. Ik voel het wanneer ik aan het ontbijten ben, ik voel het wanneer ik mijn nieuwe, hoge en witte sokken (speciaal voor vandaag gekocht) aantrek. Ik zie het aan m’n fiets, getooid met een vers stuurlintje en nieuwe bandjes. Blinkend staart hij mee aan, alsof hij wil zeggen: ‘vandaag maken we iedereen kapot jongen.’

Zoals ’t hoort ga ik op de fiets naar Middelstum. Het is meteen een goede warming-up. Al heb ik die niet nodig, want ik ga hoe dan ook winnen vandaag. Het voorjaar hangt in de lucht, bedenk ik me wanneer ik door de weilanden ergens achter Bedum fiets. Ik snuif de lucht van de ontluikende lente op en voor ik het weet nader ik de Pompsterweg in Fraamklap. Waarom heet deze wedstrijd eigenlijk niet ICW Fraamklap?

Het geroezemoes van enkele tientallen, traditioneel luidruchtige, wielrenners doet me uit m’n dagdromerij ontwaken. Veel Cyclesport, Tandje Hoger heeft weer een blik nieuwe studenten opengetrokken, Harko Kievit is sportklasserenner geworden en bij Gaul! hebben ze hun strohoedje ingeruild voor een baard. Maar voor de rest is alles als vorig jaar. Op één ding na. Ik ben niet zenuwachtig. Ik voel me onoverwinnelijk.

Dat gevoel ebt enigszins weg wanneer het startschot geklonken heeft. Het is meteen volle bak om in de eerste waaier te komen (en te blijven!), maar het lukt. Ik kijk om me heen. Een paar CSG’ers, een verdwaalde triatleet of iets in die richting, twee TH’ers, Hekman en Harko. Een mooi groepje en dat blijkt. De samenwerking verloopt soepel en gedurende de koers rijden we alleen maar verder weg van de meute. Het gaat tussen ons en ik wik en weeg m’n kansen. Alles op de slotronde. Ik ga vol aan en zoals ik had verwacht kijkt iedereen naar Harko. Hij doet niets, is het dan echt zo dat hij amper getraind heeft afgelopen winter? In de laatste bocht staat Ronald Heringa in een fluorescerend jasje en met een vlag in de handen. Hij schreeuwt me vooruit.

Ik gooi m’n handen omhoog en schreeuw ik het uit. Wanneer ik naar rechts kijk, maak ik oogcontact met m’n vriendin. Ik kijk haar triomfantelijk aan. Mijn triomfantelijke blik wordt beantwoord door een blik vol verwondering en slaperigheid.

“Gaat het wel goed met je?”

“Sorry lieverd,” antwoord ik. “Ik had een gekke droom. Draai je nog maar even om, we kunnen uitslapen vandaag.”


Spijtoptant

Een volleyballer.
Een roeier.
Een tennisser.
Een hardloper.
Een schaatser.
Een waterpoloër.
Een basketballer.
Een BMX’er.

Een student.
Een promovendus.
Een programmeur.
Een boer.
Een docent.
Een journalist.
Een muzikant.
Een fietsenmaker.
Een museumdirecteur.

En ja, jij ja. Jij ook.

Fietsen was misschien niet eens je eerste keuze. Je vond het misschien gewoon stom. Je kon het eerst niet betalen, je ouders vonden dat ‘een teamsport beter voor je was’ of je vond het leuker om elk weekend starnakel door de kroeg te kruipen. Of wat dan ook. Redenen genoeg om andere dingen te doen dan wielrennen. Snappen we best.

Maar een Prius, een vinexwoning en 10 kilo later weet je het ineens: je wordt wielrenner. Dat je inmiddels te oud, te dik en te talentloos bent om nog iets klaar te spelen in de hogere regionen van de wielersport, maakt geen reet uit: er moet gefietst worden. Sterker: er moet gekoerst worden. En daarom trekt een contigent 30’ers en 40’ers elke week trainend door den lande en maakt in de weekenden de straten en wegen van de meest onooglijke kutdorpen van Nederland onveilig (en met onveilig bedoelen we ook echt onveilig want fatsoenlijk bochtjes nemen zat niet in het pakket bij het volleyballen of tennissen).

Maar dat geeft allemaal niet. Want we zijn nu wielrenners. En wielrenners zijn stoer, en stoere wielrenners gaan wel eens op hun bek. En dat is stiekem soms nog stoerder. Zonder plaatje op je sleutelbeen en schaafplek op je kuit tel je eigenlijk ook niet helemaal mee. Noem het wat je wil: herintreders, bekeerlingen, adepten, trendvolgers… uiteindelijk zijn we allemaal spijtoptanten. Ook die jongens en meisjes die wèl junioren en beloften waren maar het nèt niet (of helemaal niet) redden bij de elites, een paar jaar bier gingen hijsen en toch weer wilden fietsen: spijtoptanten. Of ons vaste clubje sandbaggers: Harko Kievit, Marcel Weinans, Paul de Haan. Ooit heel goed en nu eigenlijk nog steeds. Daarom een Sportklasselicentie en lekker andere huisvaders naar de klote rijden: Juist, spijtoptanten.

Erik Dekker… naja, u begrijpt ‘m.

Omdat we blijkbaar niks beters te doen hebben met ons geld en onze vrije tijd. Diep van binnen wanen we ons allemaal een beetje prof, gloeien we van trots als toeschouwers van een willekeurig criterium in Schubbekutterveen ons aanzien voor een eliterenner en trainen we stiekem net teveel en te fanatiek om van een gewone hobby te kunnen spreken. En dat is mooi. Want dat maakt het amateurpeloton zo’n mooie bonte verzameling van prettig gestoorde idioten. En spijtoptanten.

Dus, Douwe Doorduin.

Tot over 10 jaar en 15 kilo. Als je helemaal uitgebrast bent en die kansloze kutbandjes in Vera helemaal zat bent. Als je eindelijk klaar bent met het alleen maar over jezelf ouwehoeren. Als je die 1,8 kinderen, die hypotheek, die Volvo en de labrador voor elkaar hebt en stiekem terugdenkt aan die 3 jaar tussen al die prettig gestoorde idioten op de Gibcusbaan waar je ze destijds allemaal op een ronde reed en verschroeiend meesprintte om het klassement:

Dan heten we je weer welkom en mag je weer gewoon rondjes draaien in Sleen, Ternaard en Annen. Gewoon omdat dat uiteindelijk het mooiste is, tussen al die andere spijtoptanten.