Niet de Ventoux

Iedereen kent de mytische reus van de provincie. Of zoals de locals zeggen, de ‘Huine van de previncie’. Gevreesd en bewonderd, zij (hij?) is al bezongen door grote belangrijke dichters, die pelgrimages maakten naar de top. Zelfs een eenvoudige beschrijving is herkenbaar voor iedereen die haar (hem?) ooit beklommen heeft. Er wordt beweerd dat de melk van koeien die nabij de top grazen geneeskrachtige eigenschappen hebben. Het is een bedevaartsoord voor alle wielrenners uit de verre omtrek.

De Reus (of de Huine) ligt eenzaam in een vlak landschap. Dit verhoogt alleen de status van deze Gigant. De klim kent een relatief vlakke aanloop. Dat kan door het dorpje aan de voet, of over een lange klinkerweg. Het wegdek is daar niet fantastisch, wat alleen de spanning verhoogt. In koers weet iedere renner tijdens die aanloop wat er komen gaat. De spanning ligt dan hoog.

Het eerste stuk is wereldberoemd (in de omgeving in ieder geval). Iedereen die de Reus (of de Huine) ooit beklommen heeft kent de steile weg door het bos. Er is daar nergens een plek om te schuilen, maar iedere renner voor zich. Na het stuk door het bos, volgt de open vlakte. Voor een renner voelt dat als een maanlandschap. Hier staat de wind altijd vol tegen. In koers is dit waar de strijd volop losbarst.

Vlak voor de top loopt de weg nog even omhoog, maar tijdens die laatste meters weet je: ik ben er nu bijna,  doorzetten. Bovenop schijnt een vreemd bergvolk te wonen, maar echt contact met die wilden krijg je nooit. Bovenop weet je ook dat de beloning volgt: Een lange afdaling over een bochtig parcours. In koers gaat het daar op leven een dood.

En zondag is het zover. Dan mag dat een keer of 50. Dan mag deze mytische Reus (of Huine) weer beklommen worden. Zondag staat de Bult op het programma, tijdens de koers die instant een klassieker werd. Zondag gaat een peloton van honderden amateurrenners de strijd aan, met de hoogste natuurlijke klim uit het noorden: De Bronneger Bult.


ATB Noord

Hekman boekt beste seizoensprestatie in GP Langelo II

De tweede uitvoering van de GP Langelo 2017 is geëindigd in een massasprint, welke met overmacht werd gewonnen door Jan Hekman, rijdend voor De Noordelijke ATB Vereniging. Dat dit een zege is die telt, bleek uit de uitbundige manier waarop de sluwe sprinter uit Norg zijn overwinning vierde. In Langelo is veel te vinden, maar helaas hebben ze daar geen champagne. Anders zouden de kurken knallen en de bubbels rijkelijk vloeien.

Nadat de eerste euforie een beetje afzakte vertelde een enigszins aangeslagen Hekman aan een anonieme reporter van deze blog dat dit zijn beste seizoensresultaat tot dusver was en dat deze uitslag veel met hem deed. Nadat zijn ploeggenoot Kievit wist te vertellen dat deze uitslag zelfs beter was dan ICW Middelstum werd het Hekman eventjes te veel en moest hij toch stiekem een traantje wegpinken. Nadat de emoties een beetje gezonken waren bij de mannen van de Noordelijke ATB Vereniging In Een Zaes Pakje vertrokken ze, alsof er niets gebeurd was, richting Norg. Wordt ongetwijfeld vervolgd in Bronneger…

Verder was het een avond als zovelen in Langelo. Burry moest na tien minuten lossen bij zowel het A- als het B-peloton. In het B-peloton probeerde een clown in een Kannibaal-pakje uit frustratie van een gemiste bocht, meerdere keren Omega-renners de berm in te rijden. Niet meer doen. De volgende keer je frustraties op je vrouw/vriendin/man/vriend botvieren aub.

Het meest noemenswaardige was toch wel dat alle mannen in het B-peloton gechickt werd door Mareille Meijering, renster van WV de Kannibaal. Maar eigenlijk maakt dat niet uit, voor de degenen die verslagen zijn is Langelo toch maar een training.


Een telefoongesprek

Het is zondagmiddag 7 mei 2017 en Linda uit Tynaarlo verveelt zich. Ze heeft al een avontuurtje achter de rug. Seks zit er al jaren niet meer in en ze is er al met de hond op uit geweest. Haar man, Henk, staat onder de douche en daar is ie altijd uren mee bezig, dus Linda besluit een vriendin te bellen. Nou ja, een vriendin. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ze geen echte vriendinnen heeft, maar wel een paar telefoonnummers. En die belt ze af en toe.

“Hallo, met Linda.”

[…]

“Oh, is er iets? Je vloekte zo hard.”

[…]

“Oh, je herkende het nummer niet? Dat komt omdat ik dat blokkeer. Nee, anders neemt niemand op inderdaad. Zeg, weet je wat ik heb meegemaakt?”

[…]

“Ja, eh, wat ik heb meegemaakt dus. Ik verveelde me vanochtend, dus ik zei tegen Henk, zullen we op de fiets de Bobby uitlaten? Hij sputterde wat tegen, want zijn fiets heeft een lekke band. Dus ik zeg, dan ga je toch joggen. Ook dat wilde hij niet, maar ik heb zo mijn manieren.”

[…]

“Ja, ik weet dat jij mijn manieren goed kent. In ieder geval, we zijn een eindje buiten het dorp, op een mooi fietspad en we zien in de verte een groep wielrenners ons tegemoet komen. En daar kan ik zo kwaad van worden. Wielrenners op een fietspad! Ik vraag het je!”

[…]

“Nee, ik vroeg het je niet echt, maar ik weet dat wielrenners in principe ook op een fiets zitten. Als ze bijna bij ons zijn, zie ik Bobby nergens. Da’s zo’n leuke hond hè, Bobby, hij dartelde heel speels van links naar rechts over dat fietspad. Dus ik kijk achterom en zie hem achter me lopen. Zo een beetje schuin over mijn schouder, daar liep ie. Tong uit z’n bek. Heel vrolijk. Dat was wel een beetje onhandig, want het was natuurlijk precies waar de tegenliggende wielrenners ons zouden passeren.”

[…]

“Aanlijnen? Nee, dat hoeft niet. Het is zo’n lief beest. En de voorste wielrenner remde precies op tijd, dus die heeft Bobby gelukkig niet geraakt. Maar toen gebeurde het. De tweede wielrenner knalde er bovenop.”

[…]

“Nee! Gelukkig niet op Bobby!! Op die andere wielrenner. Hij maakte een salto, landde op zijn hoofd en viel in de sloot. Ik schrok me helemaal dood! En ze rijden ook zo hard hè! Ik denk wel 25! Henk, met zijn zakeninstinct is een echte vechter, dus die zette het direct op een lopen, want die had in de gaten dat er gezeik zou komen.”

[…]

“Hoe het met die wielrenner was? Weet ik niet. Maar Bobby was flink geschrokken en ik ook. Dus ik fietste ook direct door.”

[…]

“Die wielrenner? Nou zijn vrienden kwamen achter ons aan. Heel erg eng allemaal. En ze zeiden dat het de schuld van Bobby was. En ze hadden al een ambulance gebeld. Hij had alleen wat gebroken, dachten ze. Oh, en er kwam bloed uit zijn neus. Maar goed. Dat heb ik zelf dus niet gezien, want wij zijn er vandoor gegaan.”

[…]

“Asociaal? Dat is precies wat die enge wielrenners zeiden! Maar ik heb er toch niks mee te maken wanneer een wielrenner valt, omdat Bobby niet aan de kant gaat? Trouwens, ik heb gewoon gezegd dat Bobby achter me liep en niet op hun helft, dus mij kunnen ze niks maken.”

[…]

“Nou, Bobby loopt altijd achter me. Normaal gesproken. Dus het was maar een klein leugentje.”

[…]

“Hoe het nu met die wielrenner is? Geen idee. Hij schijnt te zijn opgehaald door een ambulance, dus dat viel allemaal reuze mee. En weet je wat ze zeiden!? Dat we excuses moesten maken. Nou toen heeft Henk op zijn beurt excuses geëist! Dat zal ze leren! Want ja, Bobby, die was echt heel erg geschrokken. En ik ook, van al die boze wielrenners. Die zomaar op ons fietspad aan het fietsen waren.”

* Noot van de redactie: Bobby, Henk en Linda zijn verzonnen namen, de rest van deze bijdrage berust op feiten. De afgevoerde wielrenner maakt het naar omstandigheden goed, hoewel hij inderdaad een gebroken arm heeft en moet hier komende week aan geopereerd worden.

Zowel Henk, Linda als Bobby hebben na deze hit-and-run niks van zich laten horen. In het dagelijks leven geeft Henk zakelijk advies in Tynaarlo.


De GP Langelo

In de verte komt een groep vanuit de Stad aan. TH, triatleten, dat soort werk. Geen CSG. Die was hier zo’n beetje als eerste. Natuurlijk weer met 36 per uur hier naar toe en zometeen geen deuk in een pakje boter rijden. Voor de verandering een bult Kannibalen. Verrassend, die mijden dit eigen koersje in de regel als de pest. Wat Stormvogels. Mooi jongens. Twee ZAES’ers. Wat eenlingen. Geen profs. Fijn.

Ja, voor de GP Langelo komt men overal vandaan. Er word gefluisterd dat er soms zelfs Friezen aan de start staan. Moet je nagaan. Terecht trouwens. Wij zouden ook elke gelegenheid aangrijpen die provincie te verlaten.

Een A-groep en een B-groep. In de B-groep starten renners die daar veel te goed voor zijn. In de A-groep start Burry, daarentegen. Een eloquente, kwieke zestiger dirigeert beide pelotons naar de start. Diezelfde man heeft net de bochten geveegd. Wij kunnen ‘m wel zoenen.

Eerst de A-groep, dan de B’s. Met een nuchter “nou, veel plezier dan maar” schiet de koers in gang. Er moet om de een of ander reden gelijk als een debiel worden gereden, dus met 52 a 53 per uur achter Wieger aan. Waarom je daar net ook alweer € 3,- voor betaald hebben is je even compleet onduidelijk.

Wieger en een geblokt knaapje van NWVG rijden weg. Er rijden er wat achteraan. Daarna is het het wel over.  Flarden komen voorbij. Om kort te gaan: de goeien reden weg, de rest bleef achter en berustte na wat gespartel in z’n lot. De resterende Kannibalen probeerden nog te doen alsof ze afstopten. Wij denken dat het kopgroepje het ook wel zonder ze had gered.

Oh ja, onderweg een weg moeten banen door de gevallen B-renners en -rensters. Het verhaal gaat dat een stuurse ex-wethouder op een elektrische fiets weigerde plaats te maken voor een aanstormend peloton. Ondanks de nodige waarschuwingen van voorrijdauto en verkeersregelaars. Kan je daar nog 100 keer eerder hebben gefietst, kan je nog 100 keer wethouder zijn geweest, maar dan ben je wat ons betreft gewoon een paardenlul.

Volgende week maar weer, dachten we.


De GP Langelo: komen dus

Oke, koppie erbij. Even luisteren nu.

De GP Langelo komt er weer aan. Komen dus. Meerijden. Geen gemaar. Gewoon doen.

Waarom? Daarom.

Daarom is geen reden? Nou, wat dacht je hier dan van:

  • Het parcours is schitterend. Een lange omloop (bijna 7 kilometer) met een paar bochten, vrijwel verkeersvrij en mooi gelegen. Ook als eerste koers, om het eens te proberen bijvoorbeeld, perfect. Starten in de B-groep en gewoon plezier hebben.
  • Jan en alleman staat aan de start. Vorig jaar mooi wat profs spotten.
  • Deze wedstrijdjes worden georganiseerd door mensen die dat leuk en belangrijk vinden. Steek ze een hart onder de riem door gewoon te komen.

Data? 3, 10 en 17 mei. Tot straks.

Meer info nodig? Hieronder de flyer.

 

 


De prijs van ijdelheid

“u kunt hier niet pinnen”, staat er op het raam geplakte geplastificeerde A4’tje. Mijn vermoeden klopte dus. De Word-Art letters passen verrassend goed bij dit vermoeden. Gelukkig had ik daarvóór net gepind om dit soort dingen te voorkomen. Naar binnen. Het is er donker, zoals in een bruin dorpscafé. Alleen ruikt het hier niet naar rook, maar naar een soort muffige frisheid. Er was nog een klant voor mij aan het afrekenen. Een vrouw van middelbare leeftijd met geblondeerde krullen en een niet modieuze bril. Ze is het soort vrouw dat je in een parenclub zou verwachten. Ze maakte een opmerking over vroeger, en dat ze hier toen naakt rondliep. Ik sta al met mijn hand in mijn jaszak om mijn fietssleutels te pakken en in gedachten heb ik me al omgedraaid. Tot de man achter de kassa in alle toonaarden, maar met sterk stads Groningse tongval, ontkent dat naaktlopen hier normaal was.

Yomanda taait intussen af, mompelend dat ze het dan wel gedroomd zal hebben. Ik kan nu niet meer terug, want ik ben aan de beurt. Ik reken vijf euro af en krijg een messing muntje. ‘je moet in 7 zijn’ zegt de verkoper. 7 blijkt helemaal achter in de zaak te zijn. Achterin is het al niet veel lichter. Ik zigzag door de ruimte, links en rechts zijn kabinetjes met schuifdeuren gebouwd. Er is zelfs een bubbelbad, gedecoreerd met veel te groene nepplanten. Er naast zit een oude vrouw met kort haar met doorrookte stem te praten met een jonge vrouw. Moeder en dochter? Of werken ze hier beide? Dat zou een hoge bezetting zijn, samen met de man van de kassa. Want ik ben de enige klant op dit moment in deze verpauperde hut. Ik besluit ze te groeten. Ik krijg een obligate groet terug. Ik duik snel kamertje 7 in, schuif de deur dicht en doe hem op slot. Zo’n weinig subtiel schuifslot dat je op een konijnhok aantreft.

Ik kleed me uit in het witte licht van een tl. Op de vloer liggen kitscherige tegels die niet zouden misstaan op een woonwagenkamp. Ik sta op m’n blote voeten. Hoewel de vloer schoon lijkt ben ik niet op mijn gemak. Ik besluit mijn onderbroek aan te houden. Ik doe het messing muntje in de automaat, het schermpje springt met het vallende muntje op ‘20’. Tegelijk begint de machine met brommen en blazen. Ik doe de wiebelige klep omhoog en ga liggen. Op het moment dat ik de krakende klep dicht doe besef ik dat ik op de oudste, meest krakkemikkige zonnebank van het hele postcodegebied lig. Hoeveel Yomanda’s zouden hier door de jaren heen hebben liggen bakken? En zouden die ook net als ik hun onderbroek aan hebben gehouden? Ik word al misselijk, maar ik moet nog 19 minuten… Als een sneetje casino wit lig ik langzaam gaar te worden in dit tuffende tosti-ijzer. Ik probeer te ontspannen. Maar de glazen plaat waar je op ligt is kaarsrecht, en keihard. Daarnaast wordt het steeds warmer, ik begin te zweten. Bij elke kleine beweging voel ik het natte zweet tussen mij en de glasplaat. Je zult dit maar schoon moeten maken, elke dag weer. Ik krijg ineens medelijden met de mensen die ik daarnet nog zo joviaal gegroet had, en begrijp nu waarom hun groet niet zo hartelijk was als ik verwachtte.

Na 20 minuten komt er abrupt een einde aan deze zelfgekozen marteling. De UV-lampen schieten met een plof uit, en de ventilator blaast zijn laatste zuchtje over mijn klamme lijf. Dat klamme lijf is nu wel een tintje bruiner! Een piepklein beetje kleurverschil bespeur ik bij de rand van mijn onderbroek. Ik schat in dat ik nog zeker twintig van deze zweetsessies nodig heb voor ik mijn pigmentloze poten met enig fatsoen in een korte koersbroek kan hijsen…


OMG: het OFK

Het OFK dan. Willen we natuurlijk nog wel even een stukje over schrijven. Want het was me het koersje wel. De ambiance was om door een ringetje te halen. Kleine dorpjes onder de rook van Sneek zijn altijd magnifique. Vooral om er eens per jaar te komen en de rest van het jaar compleet te vergeten. Vaste pappenheimers tijdens deze koersjes:

  • Buurthuis: bij voorkeur ingericht met meubilair uit de jaren 80. Knutselwerk van lokale jeugd. Biljart. Bar waar je koffie voor een euro kan kopen.
  • Klinkers: altijd wel ergens. Het schijnt dat men in Friesland pas begin jaren ’90 asfalt leerde kennen. Kwam ongeveer gelijk op met Twarres, aan populariteit wint Twarres nog steeds ruim.
  • Paaltjes: die kutterige dingetjes staan overal. Gelukkig heeft men er vaak een oud matras of verlopen stuk schuim tegenaan gezet zodat je meer hebt om te raken.
  • Drempels: omdat iedereen de neiging heeft zo hard mogelijk door Friesland heen te rijden (begrijpelijk) liggen er op de gekste plaatsen drempels.
  • Egbert Lagro: de microfonist van dienst.  Onnavolgbaar vaak. Mag graag sterke, jonge renners aanraken. Altijd paraat , altijd enthousiast.

In Goenga was het niet anders, gelukkig maar. Het peloton (maximaal 40 man, dus met 67 aan de start) stoof weg. Een kopgroep spartelde 2/3 van de koers voor het peloton werd gegrepen. Kievit won niet, een tweedehands Giant rolde als eerste over de streep. Wegdam zat er bovenop. Hulde.

Bij het B-peloton schijnt het ook een leuke koers geweest te zijn. Mooizo jongens.


Voerman start in OFK Goenga

Onno Voerman staat vandaag aan de start tijdens het Open Fries Kampioenschap te Goenga. De eliterenner van WV de Kannibaal heeft na overleg met de WV Snits een startplek weten te bemachtigen voor de populaire amateurkoers onder de rook van Sneek.

“Voor ons eliterenners worden gewoon ontzettend weinig wedstrijden georganiseerd”, aldus Voerman. “Gemiddeld kan ik per weekend maar uit een wedstrijd of 5 kiezen, dat is gewoon te weinig. Ik ben blij dat de WV Snits een uitzondering maakt en ik op deze manier toch wat koersjes kan rijden.”

De WV Snits verklaart blij te zijn om breedtesporters als Voerman zo een handje toe te kunnen steken. “Het is gewoon hartstikke belangrijk dat eliterenners af en toe nog eens ergens kunnen starten. Je ziet bijvoorbeeld dat de Sportklasse- en dameskoersen overal als paddestoelen uit de grond schieten, maar het elitepeloton wordt vaak wat vergeten.”

Vooruitlopen op een overwinning wil Voerman nog niet. “Er rijden natuurlijk wel meer eliterenners rond. Denk bijvoorbeeld aan de mannen van Team ZAES, Arjen Bos of bijvoorbeeld Sierd Steigenga. Oh, zijn die geen elite? Die winnen toch al jaren talloze wedstrijden bij de amateurs? Wordt het dan geen tijd om eens een stapje hoger te gaan koersen?”, aldus de districtskampioen van 2016.

“Ik zie er erg naar uit om jongens met een derde van mijn trainingskilometers compleet naar de tering te rijden”, besluit de Roder coureur enthousiast.

 


Goënga

Silvio Berlusconi. Als eigenaar van AC Milan was ie een oliesjeik in de jaren negentig, als premier van Italië de Donald Trump van Europa, als TV station eigenaar de John de Mol buiten Nederland. Maar daar kennen wij Silvio niet echt van. Ook al hadden we vaag in de gaten dat hij al die dingen deed. We kennen hem natuurlijk als schuinsmarcheerder, als de oude geile man van onze zuiderburen, als het beeld dat bij Jeroen Dijsselbloem opdoemt als hij interviews in Duitse kranten geeft. Silvio Berlusconi dat is bunga bunga.

En dat is precies hoe je Goënga niet uitspreekt. Geen Gunga (twee keer een harde g) dus. Maar dan weet je eigenlijk nog niks. Het is namelijk ook geen Goennnga, met twee keer een zachte (Hollandse g). Goënga ligt namelijk in Fryslân en daar praten ze net een beetje anders.

Het is ook geen Gonga, dat is waarschijnlijk een vriendin van een vriendin, met ouders die een hippe naam zochten. “Schat wat vind je van Gonda?” “Wel godverdegodver, zo heet de buurvrouw!!” “Nee, ik zei Gonga” “Oh, prima. Dat is lekker apart.” Zo gaat het dus niet met Goënga.

Het is (en dat kunnen we ons best voorstellen) ook geen Go-en-Ga. Als een combinatie van het Engelse “Go!” + “en” + het Nederlandse “Ga”. Klaar voor de start… Go-en-Ga. Plausibel, maar nee.

Denk aan wat je doet als je hard in je remmen knijpt, over je voorwiel vliegt en dan op je helm landt: boink. Die middenklank, die zoeken we. Denk ook aan Bert en Ernie, op het moment dat Ernie aan Bert vraagt: Eh, Bert. Die Eh, een beetje hard, een beetje scherp, en een beetje èh (maar niet helemaal), zie zoeken we. Hier plak je een keiharde G voor en een lekkere nggg in het midden. Dan krijg je en Goingeh. Daar hebben we het dus over. Goingeh. Als je Fries kan lezen: Goaiïngea (succes!).

Onno Voerman is elite, maar heeft heimwee en wil weer een keer voorin meefietsen. Die staat aan de start. Net als Arjen Bos en Harko Kievit. Bram Kempkens heeft zn sprint geslepen, Marthijs Wegdam komt op een oude Giant. Wie er ook wint, hij krijgt een Friese trui. Vrijdag om 18 uur, vlakbij Sneek.

Gunga gunga, daar hebben we dus best wel zin in.


Een weekend zonder koers

Geen koersje in de buurt. Niet voor de gewone man, tenminste. Elites en semiprofessionele amateurs togen naar het buitenland. Weerkampie won een tussensprintje en kreeg een trui. Merx stond op een podium. Hekman ook. Ottema ook, denken we. De huisvaders en krabbers bleven achter en bleven een compleet weekend verstoken van het gevoel wielrenner te zijn.

Op een podium stonden we wel. Spreekwoordelijk dan. De goten zijn weer schoon. De kinderen weten je naam weer. De vriendengroep is naar de tering gefietst. Er was misschien zelfs wel tijd om schoonouders te bezoeken. Punten gescoord bij de wederhelft. Tuurlijk, een deel van die punten is gelijk weer ribbedebie omdat meneer zonodig met de fluit in de hand naar De Ronde (de echte) wilde kijken. Het zij zo.

Het verlangen groeit. De fiets wordt opgepoetst. Eerst voorzichtige halen. Steeds sneller, krachtiger. De fiets in opperste paraatheid voor de volgende koers. Goenga. Assen. Koersen waarbij je niet mag juichen als je wint. Desalniettemin koers. Ons advies? Keihard juichen. Juich alsof je er nooit meer één zult winnen. De volgende dag ben je namelijk gewoon weer een niet-wielrenner. De leegheid…