Uit de buik van de mongolenwaaier

Als traditionele opener van het (noordelijke) wielerseizoen staat ook dit jaar weer de trainingsklassieker Sleen, ook wel bekend onder de naam GP Eric ‘Boedha’ Boersma of Dwars door het land van Marijn de Vries, op de KNWU-kalender. Ergens tussen Sleen, Oosterhesselen en nog zo’n godvergeten Drents dorpje heeft de WSV Emmen een parcours gevonden van 12km, over smalle wegen tussen uitgestrekte weilanden. Prachtig wanneer je fan bent van het depressieve Oost-Groningen.

Zelf stap ik met frisse tegenzin veel te vroeg in de auto. Ik tik op de TomTom ‘Sleen’ in, wrijf de slaap uit m’n ogen, en rij weg. Vroeg die zwoele Vlaamse vrouwenstem op de navigatie nou echt “Ben je gek geworden?” en “Weet je het zeker?” Vast een bijverschijnsel van die derde bak veel te sterke koffie… Na een klein uurtje sta ik als één van de eerste Amateurs bij de inschrijving. “Startnummer 6 voor u meneer, heeft u een transponder?” Godsamme, zelfs hier zijn ze ’s ochtends vroeg beleefd.

Stilletjes schuifel ik de kleedkamer van de plaatselijke voetbalvereniging in om tussen het jonge grut van GSWV Tandje Hoger mijn rugnummer op te spelden. Een bevriende renner uit het Oooosten van het land smeert een heftig meurend goedje op zijn benen onder het mom van: ‘blieft de beens lekker wa’m zo”. Het zal wel, ik ben al blij als ik uitrij vandaag. Na een rondje inrijden, gelukkig in het wiel van een koppel renners uit Hardenberg zodat ik niet nu al tegen de koude wind in hoef te beuken, maakt het peloton amateurs zich klaar voor de start. “Fuck, wat zijn het er veel. En, fuck wat is het koud” schiet er door mn hoofd. Ik kijk vluchtig om me heen en zie geen Tom Akkerman aan de start. “Kak, nu moet ik nog oppassen dat ik niet de eerste losser ben ook!”

Na een infantiele poging tot aftellen klinkt het fluitsignaal en een kleine 80 man vertrekt. Al in de eerste bocht maakt iemand voor me een bijna schuiver, te midden van gevloek en getier sluit ik aan in het peloton. Bij de tweede bocht is de slachtpartij al begonnen en is de groep uiteengespat. Ik kan in de verte nog de contouren van Harko Kievit herkennen.

Harko, is hij niet leraar? Je zou maar als leerling op schoolreisje met die man moeten. Op de fiets met de hele klas. En dan huilend in het wiel van de meester. Weten die koters ook hoe ik me voel! Hard gescheld om me heen ontwaakt me uit m’n korte dagdroom. De renners om me heen vloeken en tieren. Helaas zijn de wegen rond Sleen niet breed genoeg voor groepjes groter dan 9 renners. Schijnbaar helpt het dan om heel hard te schreeuwen dat iedereen moet ‘draaien godverdomme’. Ik kom uiteindelijk in het wiel van een beer van een TH-er terecht in een mooi groepje. En ik zal uiteraard laatste worden in de sprint van dat groepje, want tja, mijn sprint ben ik al jaren kwijt.

Verkleumd en nat strompel ik met mijn tas droge spullen een kleedkamer in. “Hé donder op! Ploegen bespreking!” Krijg ik naar m’n hoofd gesmeten door Allard Engels, wanneer ik de deur open doe. “Flikker op! ik wil douchen” reageer ik kortaf en wandel stug door. De brede glimlach op het gezicht van de ploegleider spreekt boekdelen.

Onder de douche kom ik langzaam weer tot leven en bemerk tot mijn grote verbazing dat een kleine twee uur koers in Sleen net zo’n vernietigend effect heeft op m’n zitvlak als de columns van Marijn de Vries. Tijd om naar huis te gaan, Omloop het Nieuwsblad kijken. Eens zien hoe de echte mannen het er vanaf brengen.