De onderbuik

Waarom je op wielrennen zit

Ik rijd achter het wachtende peloton rondjes om warm te blijven.

De renners om me heen verkeren in een stemming die het midden houdt tussen vrolijke opwinding en pure doodsangst. Ik kom voor wedstrijden niet veel buiten het Noorden, maar ik heb de indruk dat hier flink wat gasten tussen staan die me straks volledig naar de tering gaan rijden. Kleppers van teams met entourage, volgwagens, soigneurs, fans, familie en vrienden; alles. Ik ben alleen, met nog een paar noorderlingen. Een paar Drenten en Friezen die ik ook wel eens op het baantje zie, team Goldpack-voorheen-Muta-whatever, maar dat is het ook wel. Er staat een venijnig windje maar ik merk er eigenlijk weinig van. Ik ben meer bezig met het feit dat ik het hier totaal niet ken en dat verkennen vrijwel onmogelijk was. Hoe ligt het parcours erbij? Waait het verderop ook zo hard? Rijden ze hier echt zo taffeshard als dat er altijd gezegd wordt? De motards en de wachtende volgauto’s hebben de motoren inmiddels gestart en er wordt opgewonden gerommeld met jasjes, tasjes en gelletjes. Ik schuif aan, maar er gebeurt niks.  Storing met de laadklep, hoor ik. De laadklep.

Laadklep?

De laadklep van de TESO veerboot. We staan met een compleet peloton, volgwagens, motoren, geluidswagen, EHBO en bezemwagen op een van de autodekken van de veerboot van den Helder naar Texel en ik reed net mijn opwarmrondjes op dat autodek, verbijsterd aangestaard door een stel Duitse boomers in een camper. Over een kleine 10 minuten worden we er geneutraliseerd afgejaagd om anderhalf uur met onze bek op het stuur over Texel te rauzen, over landweggetjes, door bossen, langs onmogelijke bochten, door het onverwacht charmante Den Hoorn en een finishstraat stampvol met publiek. We zullen valpartijen ontwijken die veroorzaakt worden door junioren die echt denken dat je prima dwars door je voorganger kan rijden of dat je vlak voor een bocht nog wel even je bidon kunt pakken. We zullen vloeken naar elkaar als er te hard wordt overgenomen en nog harder vloeken als het inzakt. We duiken straks blinde bochten in alsof ons leven ervan afhangt. Een verkeersdrempel vlak voor startfinish, zand in de bochten, slecht liggende klinkers, kamikazevolgwagens en dito motards, schreeuwen, scheelzien, beuken, rammen. In 1,5 uur zullen we weer bij die boot staan, minus een paar onfortuinlijken die met een gebroken frame of een ontwrichte schouder zijn achtergebleven. En dan is dit pas de eerste etappe.

Dit is de Tour de Lassalle en als je een junior-; sportklasse-; of amateurlicentie hebt, dan wil je daaraan meedoen.
Sterker: dan moet je daaraan meedoen. Dit is verplicht bucketlistmateriaal. Dichter bij het rijden van een etappekoers ga je als amateur in Nederland niet komen.

Het begon met een stom idee van een clubgenoot en voor ik het wist had ik me ingeschreven. Dronken, groepsdruk of fomo, totale zelfoverschatting of gewoon zin in een weekendje weg met andere kelderklasserenners – ik weet de precieze reden niet meer maar toen ik afgelopen week in mijn agenda keek en zag dat ik van donderdag tot en met zondag in de kop van Noordholland zou zitten, zonk de moed me in de schoenen. Kon ik hier nog onderuit? Welke kutsmoezen heb ik nog niet gebruikt? Zelfs nog een coronatest geprobeerd maar zo’n besmetting komt nooit gelegen. Ik moest ernaartoe. 4 dagen, 3 omlopen, 1 tijdrit en 1 criterium. Mezelf vervloekend graaide ik voor 4 dagen kleding, fietsspullen en gelletjes bij elkaar en hees ik mezelf in mijn auto.

WAAR DE FUK BEN IK MEE BEZIG, WAAROM KAN HET NOU NOOIT EENS NORMAAL. JE KUNT TOCH GLOEIENDEGODGLOEIENDE OOK GEWOON LEKKER IN EEN HUISJE IN DE ARDENNEN GAAN ZITTEN MAFKETEL. Vijf wedstrijden, vier dagen. Totaal van de pot gerukt.

Twee uur sturen later brak Janneke, de wedstrijdsecretaris, het ijs al. Ik had het inschrijfgeld niet voldaan, maar ze wilde me best de nummers geven als ik het alsnog even snel fikste. Hartjes. Twee nummers en een kaderplaatje. Zeldzaamheid bij een amateurwedstrijd. Beetje wannabe, maar gaaf. Maar eigenlijk brak het ijs al wel bij binnenkomst in Hotel Den Helder. Een hotel in Den Helder, dan heb je een beeld (een jaren ’70 bunker met dito uitstraling) en dat beeld wordt grotendeels wel bevestigd bij aankomst. Maar loop even door. Door de bowlingbaan naar de binnenplaats. Daar heeft de organisatie namelijk een compleet tourdorp gebouwd: fietsenrekken voor de deelnemers, een podium met presentatie, rondemilf, vrijwilligers en zitjes voor de deelnemende teams. De lokale zender die alles integraal uitzendt. Pers, fotografen, TV. En superlieve mensen. Overal superlieve mensen die de renners met alle egards behandelen en je het gevoel geven dat je dit weekend net iets specialer bent dan normaal. Mensen die je helpen met je spulletjes, bezorgd navragen hoe het gaat met je gewonde clubgenoot en alles doen om je in de watten te leggen. “Je hebt nog wat tandpasta in je mondhoek, da’s niet soigné”. Ik kon die man wel zoenen.

Wat volgde was een regelrechte rollercoaster: de etappe op Texel op donderdagavond, een losgeslagen waaieromloop over een militair terrein op vrijdag, een ultrakorte ultrakutte tijdrit op de zaterdagochtend en een regelrechte martelgang op de zaterdagmiddag: een omloop over de zeedijk met een totale kutklinkerklim in Huisduinen die we 17 keer over moesten. Elk gelletje twee keer geproefd. Als toetje op de zondag: een brommercriterium in het centrum van Den Helder. Ik heb nog nooit zo afgezien, ik ben nog nooit zo moe geweest, maar dichter bij het leven van een ronderenner ga ik waarschijnlijk niet komen.

Wat een feest. Wat een monument.

Dit jaar was het de 69e keer dat de Tour de Lasalle georganiseerd werd. Volgend jaar lustrum.

Laten we gewoon allemaal gaan. Supergaaf.

Naschrift: Radio Noordkop heeft een kekke aftermovie gepubliceerd.
Nu heb je gegarandeerd nog meer zin.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.