Zondagochtend en weer zit niemand in de kerk. Maar er is ook geen koers, dus daarom deze geïnspireerde ode aan de sok.

1 Al was het dat ik 40 km per uur kon fietsen, maar ik had mijn sokken niet, dan was ik een trimmer, of een fietser

2 Al had ik de gave om de koers te kunnen lezen, wist ik wanneer te demarreren; en al was het alsof ik geloof in eigen kunnen had om bergen te bedwingen, maar ik had mijn sokken niet, het was mij niets.

3 Al was het dat ik iedereen uit de wind hield, dat ik voor anderen gaten dicht reed, en al was het alsof ik mijn lichaam aan de wetenschap gaf om betere wielrenners te maken, maar ik had mijn sokken niet, dan hielp het mij niets.

4 Sokken zijn mooi, zij zijn goed. Sokken zijn niet jaloers, sokken worden niet zomaar gekozen, ze zijn nooit te lang.

5 Ze zijn onbaatzuchtig, ze bestaan niet voor zichzelf, ze zijn niet verbitterd en ze doen geen kwaad.

6 Ze zijn niet blij met valpartijen, maar ze zijn verheugd met winst.

7 Ze bedekken alle enkels, ze geloven alle verhalen, ze verdragen harde snokken

8 Sokken vergaan nimmermeer, broeken, die vergeet je, shirts worden lelijk, arm- en beenstukken houden op te bestaan

9 Wij weten nu maar slechts ten dele wat de perfecte sok is, wij hebben sokken maar gedeeltelijk lief.

10 Maar wanneer het volmaakte komt, dan is wat nu ten dele is, te niet gedaan.

11 Toen ik een fietser was, dacht ik als een fietser, reed ik als een fietser, maar nu ik renner ben geworden heb ik afgelegd wat ik ooit als fietser deed.

12 Want als fietser was het goed om lage sokken te dragen, maar nu komen ze tot ver over mijn enkels, en ver onder mijn knie. Ik weet niet precies waar ze ophouden, maar ooit zijn ze perfect.

13 En nu blijft wit, hoog, en schoon, deze drie; deze maken de sokken van een renner.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.